Nieuwe inkomsten uit mobiliteit

Waarom verkopen festivals eigenlijk standaard parkeertickets, terwijl bioscopen, theaters en musea dat bijna nooit doen?
Het verschil zit ’m meestal in de noodzaak. Festivals móeten iets met mobiliteit. Er komen in korte tijd veel mensen tegelijk op een plek waar vaak weinig parkeercapaciteit is. Parkeren en bereikbaarheid worden daardoor vanzelf onderdeel van de organisatie en dus ook van de service.
Bij leisure-locaties voelt dat minder urgent. Bezoekers komen verspreid binnen en “zoeken zelf wel uit” hoe ze er komen. Dus het lijkt alsof het probleem zichzelf oplost.
Maar waarom zou je je service beperken tot wat strikt nodig is? Je wilt het voor bezoekers toch gewoon zo makkelijk mogelijk maken.
Als je kijkt waar het meeste gedoe zit, kom je al snel uit bij de reis ernaartoe.
Bezoekers regelen die namelijk sowieso. Ze parkeren ergens, kopen een treinkaartje of pakken een bus. Alleen gebeurt dat nu bijna altijd buiten de locatie om. Zonder dat je daar zicht op hebt, zonder dat je bezoekers daarin begeleidt en zonder dat het iets oplevert.
En daar laten veel locaties nog iets liggen.
Door mobiliteit onderdeel te maken van je aanbod, maak je het niet alleen makkelijker voor bezoekers, maar ontstaat er ook een extra inkomstenstroom. Denk aan het aanbieden van parkeertickets of OV-reisproducten bij het kopen van een ticket. Niet als verplichting, maar gewoon als extra service.
Voor bezoekers betekent dat minder gedoe vooraf. Ze weten waar ze moeten parkeren of hoe ze het beste kunnen reizen. Dat scheelt zoeken, twijfelen en gehaast aankomen.
Voor de locatie betekent het dat je meer grip krijgt op de aankomst én extra waarde haalt uit het bezoek.
Je verandert niets aan het bezoek zelf, maar zorgt er wel voor dat alles eromheen net wat beter geregeld is.


